|
|
|
Bosmuis
(Apodemus sylvaticus)

© E. Bruulsema
|
Kenmerken
De Bosmuis is net zo groot als de Huismuis. Hij is geel- tot
grijsbruin aan de bovenzijde.
De onderzijde is witachtig. Ze hebben
grote ogen en tevens grote oren. Ze hebben in
verhouding vrij lange
achterpoten en de staart van de bosmuis is bijna net zo lang als het
lichaam. De Bosmuis is een knaagdier uit het geslacht bosmuizen (Apodemus)
van de onderfamilie van muizen en ratten van de Oude Wereld (Murinae)
van de familie Muridae.
Jonge dieren zijn grijsbruin op de rug en
donkergrijs tot wit op de buik. De bosmuis wordt
97 tot 110 millimeter
lang en 13 tot 27 gram zwaar. De staart is 69 tot 115 millimeter lang.
Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes.
Voorkomen
De Bosmuis komt voor in alle bostypen, langs heggen, in tuinen en op
akkers. Je kunt ze
vooral aantreffen tijdens de schemering en 's nachts.
Ze lopen dan snel en zijn zeer goede klimmers.
Voorplanting
Het voortplantingsseizoen
duurt van maart tot oktober, met een piek in juli en
augustus.
Een vrouwtje krijgt één à twee, soms tot vier
worpen per jaar. Jongen worden geboren na
een draagtijd
van 19 à 20 dagen. Per worp krijgt een vrouwtje 2 tot 9
(gemiddeld 4 tot 7)
jongen. De jongen worden blind en
naakt geboren. Later ontwikkelen ze een grijze vacht.
Ze
wegen bij de geboorte één à twee gram. Enkel het
vrouwtje zorgt voor de jongen.
Zogende vrouwtjes keren
vaak terug naar het nest om de jongen te laten zogen. De
zoogtijd duurt 18 tot 22 dagen. Jongen die vroeg in het
jaar geboren zijn, zijn later dat jaar
al geslachtsrijp,
jongen die later in het jaar geboren zijn het
daaropvolgende jaar.
Mannetjes zijn meestal
geslachtsrijp als ze zo'n twaalf gram wegen, vrouwtjes
als ze
vijftien gram wegen.
De bosmuis wordt maximaal
achttien tot twintig maanden oud, hoewel hij in
gevangenschap meer dan vier jaar kan worden. Natuurlijke
vijanden zijn onder andere
wezel,
hermelijn, das, marter,
vos, kat,
steenuil, bosuil, velduil,
kerkuil en
torenvalk.
Voedsel
Hij heeft een gevarieerd dieet: hij
leeft van graan, noten, vruchten, bessen, eikels, beukennootjes,
hazelnoten, zaden, knoppen, paddenstoelen, mossen en galappels,
maar ook
van insecten, duizendpoten, spinnen, regenwormen en slakken. 's Zomers
eet
hij voornamelijk boomzaden en noten, 's winters voornamelijk
scheuten, knoppen en
rupsen.
|
|
|