|
|
|
Glassnijder (Brachytron pratense)

© E. Bruulsema
|
Kenmerken
De Glassnijder is één van de kleinste van de Glazenmaker familie. Hij is
herkenbaar aan de groene tot gele banden aan de zijkant van het
borststuk. Bij het mannetje is deze zijstreep blauw en is de bovenkant
van de ogen ook blauw. Ze worden 55 tot 63 mm groot. Voorkomen
Ze komen voor bij stilstaande wateren of zwak stromend water. Hij is
in Nederland vrij algemeen en is vooral te vinden in laagveengebieden en
plaatselijk in de duinen. De grootste aantallen vliegen in mei en juni.
Voortplanting
Mannetjes vliegen laag over open water op zoek naar vrouwtjes. Pas
als de vrouwtjes opvliegen, slaan ze toe. Ze grijpen het vrouwtje in de
vlucht. De paring begint bij het water, en eindigt in bomen, struiken of
tussen het riet. Het vrouwtje zet de eitjes af in afwezigheid van het
mannetje, en soms op kilometers afstand van de paringsdaad. De eieren
worden afgezet in drijvende of in het water staande, half vergane
stengels van planten (riet, lisdodde, biezen). De eieren komen na drie
tot vier weken uit. De larven overwinteren 2-3 keer. Soms zijn de larven
binnen een jaar klaar, in visloos, voedselrijk water met hogere
temperaturen. Jonge larven leven tussen de wortels van waterplanten en
bomen. De larven hebben zeer kleine ogen. Oudere larven zitten dichter
bij het oppervlak, hangend aan wortelende en drijvende planten.
Weetjes
Mannetjes zijn deels territoriaal, en minder agressief dan andere
glazenmakers. Jonge Glassnijders jagen op zonnige en beschutte plekken
langs de bosrand, langs houtwallen, en boven hooi- en grasland. Als ze
geslachtsrijp zijn, gaan mannetjes terug naar het water, vrouwtjes niet.
Glassnijders rusten tussen het jagen vaker uit dan andere glazenmakers,
vooral op bomen en struiken, en vooral bij slecht weer. Ze kunnen tot
ver in de omtrek worden aangetroffen op bospaden en aan bosranden waar
ze jagen op insecten. |
|