|
Kenmerken
Deze slang heeft een bruingrijze tot zwartgrijze kleur, een witte
buik en een kenmerkende gele band om de hals, waaraan de naam te danken
is. Echter niet bij alle exemplaren is deze te zien, er zijn diverse
ondersoorten en kleurvariaties die sterk kunnen verschillen. Mannetjes
blijven een derde kleiner dan vrouwtjes; het mannetje wordt 90-100
centimeter, het vrouwtje 120-140 centimeter. De ringslang is niet
gevaarlijk, maar kan wel gemeen bijten.
Voortplanting
De ringslang is de enige eierleggende slangensoort in Nederland en
België, de gewone adder en de gladde slang
zijn beiden eierlevendbarend. De eieren worden afgezet in zogenaamde
broedhopen, meestal composthopen waar de temperatuur door broei
hoger is. De vrouwtjes zetten de eitjes vaak af bij legsels van
soortgenoten. Afhankelijk van de temperatuur komen de juvenielen na
ongeveer twee maanden uit het ei, de ideale temperatuur is ongeveer
28 graden. Jonge ringslangen houden zich vooral op in de buurt van
water.
Voedsel
Het voedsel van de ringslang bestaat uit: kikkers, salamanders,
vissen, padden of muizen.
Voorkomen
De ringslang komt in nagenoeg heel Europa voor, met uitzondering van
de gebieden rond de poolcirkel. Ringslangen worden ook in Nederland
en in België ten noorden van Samber en Maas steeds zeldzamer. |